antwoord 2

Veronderstel dat de risicopremie van een bedrijfsobligatie stijgt. Wat impliceert dit (ceteris paribus) voor de prijs (of koers) en het actuarieel rendement van deze obligatie?

A) De prijs stijgt en het actuarieel rendement stijgt.

B) De prijs stijgt en het actuarieel rendement daalt.

C) De prijs daalt en het actuarieel rendement stijgt.

D) De prijs daalt en het actuarieel rendement daalt.

vraag 1

Veronderstel dat de risicopremie van een bedrijfsobligatie stijgt. Wat impliceert dit (ceteris paribus) voor de prijs (of koers) en het actuarieel rendement van deze obligatie?

A) De prijs stijgt en het actuarieel rendement stijgt.

B) De prijs stijgt en het actuarieel rendement daalt.

C) De prijs daalt en het actuarieel rendement stijgt.

D) De prijs daalt en het actuarieel rendement daalt.

antwoord 2

Veronderstel dat de risicopremie van een bedrijfsobligatie stijgt. Wat impliceert dit (ceteris paribus) voor de prijs (of koers) en het actuarieel rendement van deze obligatie?

A) De prijs stijgt en het actuarieel rendement stijgt.

B) De prijs stijgt en het actuarieel rendement daalt.

C) De prijs daalt en het actuarieel rendement stijgt.

D) De prijs daalt en het actuarieel rendement daalt.

vraag 1

Veronderstel dat de risicopremie van een bedrijfsobligatie stijgt. Wat impliceert dit (ceteris paribus) voor de prijs (of koers) en het actuarieel rendement van deze obligatie?

A) De prijs stijgt en het actuarieel rendement stijgt.

B) De prijs stijgt en het actuarieel rendement daalt.

C) De prijs daalt en het actuarieel rendement stijgt.

D) De prijs daalt en het actuarieel rendement daalt.