antwoord 8
Duid aan in welke situatie een daling van de geldhoeveelheid het sterkste effect heeft op de output.
A) Wanneer zowel investeringen als geldvraag interestongevoelig zijn.
B) Wanneer de geldvraag interestgevoelig is en de investeringen niet interestgevoelig zijn.
C) Wanneer zowel de investeringen als de geldvraag interestgevoelig zijn.
D) Wanneer investeringen interestgevoelig zijn en de geldvraag niet interestgevoelig is.
vraag 8
Duid aan in welke situatie een daling van de geldhoeveelheid het sterkste effect heeft op de output.
A) Wanneer zowel investeringen als geldvraag interestongevoelig zijn.
B) Wanneer de geldvraag interestgevoelig is en de investeringen niet interestgevoelig zijn.
C) Wanneer zowel de investeringen als de geldvraag interestgevoelig zijn.
D) Wanneer investeringen interestgevoelig zijn en de geldvraag niet interestgevoelig is.
antwoord 8
Duid aan in welke situatie een daling van de geldhoeveelheid het sterkste effect heeft op de output.
A) Wanneer zowel investeringen als geldvraag interestongevoelig zijn.
B) Wanneer de geldvraag interestgevoelig is en de investeringen niet interestgevoelig zijn.
C) Wanneer zowel de investeringen als de geldvraag interestgevoelig zijn.
D) Wanneer investeringen interestgevoelig zijn en de geldvraag niet interestgevoelig is.
vraag 8
Duid aan in welke situatie een daling van de geldhoeveelheid het sterkste effect heeft op de output.
A) Wanneer zowel investeringen als geldvraag interestongevoelig zijn.
B) Wanneer de geldvraag interestgevoelig is en de investeringen niet interestgevoelig zijn.
C) Wanneer zowel de investeringen als de geldvraag interestgevoelig zijn.
D) Wanneer investeringen interestgevoelig zijn en de geldvraag niet interestgevoelig is.