stelling 19
“Het kanshistogram van een binomiale stochastische variabele met p = 0,25 is scheef met een lange staart aan de rechterzijde. (want p <0,5)”
B) onwaar
stelling 19
“Het kanshistogram van een binomiale stochastische variabele met p = 0,25 is scheef met een lange staart aan de rechterzijde. (want p <0,5)”
A) waar
B) onwaar
stelling 19
“Het kanshistogram van een binomiale stochastische variabele met p = 0,25 is scheef met een lange staart aan de rechterzijde. (want p <0,5)”
B) onwaar
stelling 19
“Het kanshistogram van een binomiale stochastische variabele met p = 0,25 is scheef met een lange staart aan de rechterzijde. (want p <0,5)”
A) waar
B) onwaar
stelling 1
stelling 5
stelling 9
stelling 13
stelling 18
stelling 22
stelling 26
stelling 30
stelling 34
stelling 38
stelling 42
stelling 2
stelling 6
stelling 10
stelling 15
stelling 19
stelling 23
stelling 27
stelling 31
stelling 35
stelling 39
stelling 43