antwoord 20

Duid aan wat juist is

A) Een stijging van de werkloosheidsgraad gaat altijd gepaard met een daling van de werkzaamheidsgraad

B)Als het aantal niet-actieven stijgtn impliceert dat altijd een daling van de werkzaamheidsgraad

C) Als de participatiegraad stijgt, impliceert dat altijd een hogere werkzaamheidsgraad

D) De werkzaamheidsgraad kan nooit hoger zijn dan de participatiegraad

vraag 20

Duid aan wat juist is

A) Een stijging van de werkloosheidsgraad gaat altijd gepaard met een daling van de werkzaamheidsgraad

B)Als het aantal niet-actieven stijgtn impliceert dat altijd een daling van de werkzaamheidsgraad

C) Als de participatiegraad stijgt, impliceert dat altijd een hogere werkzaamheidsgraad

D) De werkzaamheidsgraad kan nooit hoger zijn dan de participatiegraad

antwoord 20

Duid aan wat juist is

A) Een stijging van de werkloosheidsgraad gaat altijd gepaard met een daling van de werkzaamheidsgraad

B)Als het aantal niet-actieven stijgtn impliceert dat altijd een daling van de werkzaamheidsgraad

C) Als de participatiegraad stijgt, impliceert dat altijd een hogere werkzaamheidsgraad

D) De werkzaamheidsgraad kan nooit hoger zijn dan de participatiegraad

vraag 20

Duid aan wat juist is

A) Een stijging van de werkloosheidsgraad gaat altijd gepaard met een daling van de werkzaamheidsgraad

B)Als het aantal niet-actieven stijgtn impliceert dat altijd een daling van de werkzaamheidsgraad

C) Als de participatiegraad stijgt, impliceert dat altijd een hogere werkzaamheidsgraad

D) De werkzaamheidsgraad kan nooit hoger zijn dan de participatiegraad