antwoord 2
Welk antwoord is juist?
Stelling 1: Als de participatiegraad daalt en de werkloosheidsgraad ook daalt, is het mogelijk dat de werkzaamheidsgraad onveranderd blijft. Stelling 2: Een daling van de werkloosheidsgraad impliceert altijd een stijging van de werkzaamheidsgraad.
A) Beide stellingen zijn juist
B) Stelling 1 is juist, stelling 2 is fout
C) Stelling 1 is fout, stelling 2 is juist
D) Beide stellingen zijn fout
vraag 2
Welk antwoord is juist?
Stelling 1: Als de participatiegraad daalt en de werkloosheidsgraad ook daalt, is het mogelijk dat de werkzaamheidsgraad onveranderd blijft. Stelling 2: Een daling van de werkloosheidsgraad impliceert altijd een stijging van de werkzaamheidsgraad.
A) Beide stellingen zijn juist
B) Stelling 1 is juist, stelling 2 is fout
C) Stelling 1 is fout, stelling 2 is juist
D) Beide stellingen zijn fout
antwoord 2
Welk antwoord is juist?
Stelling 1: Als de participatiegraad daalt en de werkloosheidsgraad ook daalt, is het mogelijk dat de werkzaamheidsgraad onveranderd blijft. Stelling 2: Een daling van de werkloosheidsgraad impliceert altijd een stijging van de werkzaamheidsgraad.
A) Beide stellingen zijn juist
B) Stelling 1 is juist, stelling 2 is fout
C) Stelling 1 is fout, stelling 2 is juist
D) Beide stellingen zijn fout
vraag 2
Welk antwoord is juist?
Stelling 1: Als de participatiegraad daalt en de werkloosheidsgraad ook daalt, is het mogelijk dat de werkzaamheidsgraad onveranderd blijft. Stelling 2: Een daling van de werkloosheidsgraad impliceert altijd een stijging van de werkzaamheidsgraad.
A) Beide stellingen zijn juist
B) Stelling 1 is juist, stelling 2 is fout
C) Stelling 1 is fout, stelling 2 is juist
D) Beide stellingen zijn fout