antwoord 2
Welk antwoord is juist?
Stelling 1: Als de participatiegraad daalt en de werkloosheidsgraad ook daalt, is het mogelijk dat de werkzaamheidsgraad onveranderd blijft.
Stelling 2: Een daling van de werkloosheidsgraad impliceert altijd een stijging van de werkzaamheidsgraad.
A) Beide stellingen zijn juist
B) Stelling 1 is fout, stelling 2 is juist
C) Stelling 1 is juist, stelling 2 is fout
D) Beide stellingen zijn fout
vraag 2
Welk antwoord is juist?
Stelling 1: Als de participatiegraad daalt en de werkloosheidsgraad ook daalt, is het mogelijk dat de werkzaamheidsgraad onveranderd blijft.
Stelling 2: Een daling van de werkloosheidsgraad impliceert altijd een stijging van de werkzaamheidsgraad.
A) Beide stellingen zijn juist
B) Stelling 1 is fout, stelling 2 is juist
C) Stelling 1 is juist, stelling 2 is fout
D) Beide stellingen zijn fout
antwoord 2
Welk antwoord is juist?
Stelling 1: Als de participatiegraad daalt en de werkloosheidsgraad ook daalt, is het mogelijk dat de werkzaamheidsgraad onveranderd blijft.
Stelling 2: Een daling van de werkloosheidsgraad impliceert altijd een stijging van de werkzaamheidsgraad.
A) Beide stellingen zijn juist
B) Stelling 1 is fout, stelling 2 is juist
C) Stelling 1 is juist, stelling 2 is fout
D) Beide stellingen zijn fout
vraag 2
Welk antwoord is juist?
Stelling 1: Als de participatiegraad daalt en de werkloosheidsgraad ook daalt, is het mogelijk dat de werkzaamheidsgraad onveranderd blijft.
Stelling 2: Een daling van de werkloosheidsgraad impliceert altijd een stijging van de werkzaamheidsgraad.
A) Beide stellingen zijn juist
B) Stelling 1 is fout, stelling 2 is juist
C) Stelling 1 is juist, stelling 2 is fout
D) Beide stellingen zijn fout
vraag 1
vraag 5
vraag 9
vraag 13
vraag 17
vraag 21
vraag 25
vraag 29
vraag 33
vraag 37
vraag 41
vraag 45
vraag 49
vraag 2
vraag 6
vraag 10
vraag 14
vraag 18
vraag 22
vraag 26
vraag 30
vraag 34
vraag 38
vraag 42
vraag 46
vraag 50