antwoord 4

Geef aan welke uitspraak correct is

A) De werkzaamheidsgraad kan nooit groter zijn dan de participatiegraad.

B) Een toename van de participatiegraad betekent steeds dat de werkzaamheidsgraad ook stijgt.

C) Wanneer het aantal niet-actieven toeneemt, leidt dit altijd tot een lagere werkzaamheidsgraad.

D) Een hogere werkloosheidsgraad gaat telkens samen met een daling van de werkzaamheidsgraad. 

vraag 4

Geef aan welke uitspraak correct is

A) De werkzaamheidsgraad kan nooit groter zijn dan de participatiegraad.

B) Een toename van de participatiegraad betekent steeds dat de werkzaamheidsgraad ook stijgt.

C) Wanneer het aantal niet-actieven toeneemt, leidt dit altijd tot een lagere werkzaamheidsgraad.

D) Een hogere werkloosheidsgraad gaat telkens samen met een daling van de werkzaamheidsgraad. 

antwoord 4

Geef aan welke uitspraak correct is

A) De werkzaamheidsgraad kan nooit groter zijn dan de participatiegraad.

B) Een toename van de participatiegraad betekent steeds dat de werkzaamheidsgraad ook stijgt.

C) Wanneer het aantal niet-actieven toeneemt, leidt dit altijd tot een lagere werkzaamheidsgraad.

D) Een hogere werkloosheidsgraad gaat telkens samen met een daling van de werkzaamheidsgraad. 

vraag 4

Geef aan welke uitspraak correct is

A) De werkzaamheidsgraad kan nooit groter zijn dan de participatiegraad.

B) Een toename van de participatiegraad betekent steeds dat de werkzaamheidsgraad ook stijgt.

C) Wanneer het aantal niet-actieven toeneemt, leidt dit altijd tot een lagere werkzaamheidsgraad.

D) Een hogere werkloosheidsgraad gaat telkens samen met een daling van de werkzaamheidsgraad.