antwoord 4
Geef aan welke uitspraak correct is
A) De werkzaamheidsgraad kan nooit groter zijn dan de participatiegraad.
B) Een toename van de participatiegraad betekent steeds dat de werkzaamheidsgraad ook stijgt.
C) Wanneer het aantal niet-actieven toeneemt, leidt dit altijd tot een lagere werkzaamheidsgraad.
D) Een hogere werkloosheidsgraad gaat telkens samen met een daling van de werkzaamheidsgraad.
vraag 4
Geef aan welke uitspraak correct is
A) De werkzaamheidsgraad kan nooit groter zijn dan de participatiegraad.
B) Een toename van de participatiegraad betekent steeds dat de werkzaamheidsgraad ook stijgt.
C) Wanneer het aantal niet-actieven toeneemt, leidt dit altijd tot een lagere werkzaamheidsgraad.
D) Een hogere werkloosheidsgraad gaat telkens samen met een daling van de werkzaamheidsgraad.
antwoord 4
Geef aan welke uitspraak correct is
A) De werkzaamheidsgraad kan nooit groter zijn dan de participatiegraad.
B) Een toename van de participatiegraad betekent steeds dat de werkzaamheidsgraad ook stijgt.
C) Wanneer het aantal niet-actieven toeneemt, leidt dit altijd tot een lagere werkzaamheidsgraad.
D) Een hogere werkloosheidsgraad gaat telkens samen met een daling van de werkzaamheidsgraad.
vraag 4
Geef aan welke uitspraak correct is
A) De werkzaamheidsgraad kan nooit groter zijn dan de participatiegraad.
B) Een toename van de participatiegraad betekent steeds dat de werkzaamheidsgraad ook stijgt.
C) Wanneer het aantal niet-actieven toeneemt, leidt dit altijd tot een lagere werkzaamheidsgraad.
D) Een hogere werkloosheidsgraad gaat telkens samen met een daling van de werkzaamheidsgraad.
vraag 1
vraag 5
vraag 9
vraag 13
vraag 17
vraag 21
vraag 25
vraag 29
vraag 33
vraag 37
vraag 41
vraag 45
vraag 49
vraag 2
vraag 6
vraag 10
vraag 14
vraag 18
vraag 22
vraag 26
vraag 30
vraag 34
vraag 38
vraag 42
vraag 46
vraag 50