antwoord 36

Welke uitspraak is correct?

Er treedt een waardedaling (depreciatie) op van de dollar tegenover de euro, terwijl de prijzen in beide regio’s onveranderd blijven. 

A) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar stijgt, waardoor Europa relatief duurder wordt.

B) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar daalt, waardoor Europa relatief goedkoper wordt.

C) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar stijgt, waardoor Europa relatief goedkoper wordt.

D) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar daalt, waardoor Europa relatief duurder wordt.

vraag 36

Welke uitspraak is correct?

Er treedt een waardedaling (depreciatie) op van de dollar tegenover de euro, terwijl de prijzen in beide regio’s onveranderd blijven. 

A) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar stijgt, waardoor Europa relatief duurder wordt.

B) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar daalt, waardoor Europa relatief goedkoper wordt.

C) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar stijgt, waardoor Europa relatief goedkoper wordt.

D) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar daalt, waardoor Europa relatief duurder wordt.

antwoord 36

Welke uitspraak is correct?

Er treedt een waardedaling (depreciatie) op van de dollar tegenover de euro, terwijl de prijzen in beide regio’s onveranderd blijven. 

A) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar stijgt, waardoor Europa relatief duurder wordt.

B) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar daalt, waardoor Europa relatief goedkoper wordt.

C) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar stijgt, waardoor Europa relatief goedkoper wordt.

D) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar daalt, waardoor Europa relatief duurder wordt.

vraag 36

Welke uitspraak is correct?

Er treedt een waardedaling (depreciatie) op van de dollar tegenover de euro, terwijl de prijzen in beide regio’s onveranderd blijven. 

A) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar stijgt, waardoor Europa relatief duurder wordt.

B) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar daalt, waardoor Europa relatief goedkoper wordt.

C) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar stijgt, waardoor Europa relatief goedkoper wordt.

D) De reële wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar daalt, waardoor Europa relatief duurder wordt.